Kijk voor informatie over pups bij 'NESTEN'. 

artikelen:

  1. ERFELIJKE AFWIJKINGEN BIJ DE LABRADOR RETRIEVER

  2. TRAINEN VANUIT EEN VISIE

  3. HONDENVOER ONDER DE LOEP

'Je gaat het pas zien als je het door hebt' (Cruijff). 

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

ERFELIJKE AFWIJKINGEN BIJ DE LABRADOR RETRIEVER 

De wetten van Mendel

Tijdens de lessen biologie maken leerlingen kennis met de 'wetten van Mendel'. Mendel, een Oostenrijkse monnik die leefde in het midden van de 19e eeuw ontdekte dat het vererven volgens bepaalde wetten verliep. Bij kenmerken bedoelen wij uiterlijke kenmerken: vachtkleur, hangende oren, krulstaart. Bij eigenschappen bedoelen wij karaktereigenschappen: zoeken, blaffen, springen, karakter.

In iedere cel van de hond zitten chromosomen. Chromosomen zijn een soort strengen. Zij bestaan uit een stof die we DNA noemen. Onze erfelijke kenmerken/eigenschappen zijn vastgelegd in dit DNA. Op de chromosomen zitten genen. Een gen is een stukje DNA en bevat een soort 'code'. Elk gen beschrijft de code van een kenmerk of eigenschap. Deze code beschrijft hoe een hond eruit gaan zien, hoe zijn lichaam werkt. 

Een hond erft van zijn vader een gen en van zijn moeder een gen. Na de bevruchting vormen deze genen paren. In de cellen van de hond vinden we paren die gezamenlijk het chromosoom vormen. Een hond heeft 78 chromosomen (39 paren).  

De vererving van de vachtkleur bij labradors

We zien labradors met een zwarte- en gele vacht. Het gen dat voor de vachtkleur zwart zorgt is dominant (overheersend). Het 'zwarte' gen drukt het gen voor gele vacht weg. Het ondergeschikte gen wordt ook wel het recessieve gen genoemd. De vachtkleur zwart vererft dominant en de vachtkleur geel vererft recessief. In de biologie worden letters gebruikt om kruisingsmodellen te maken. De letter Z staat voor een zwarte vacht en de letter z staat voor een gele vacht. Een hoofdletter wordt gebruikt voor de overheersende (dominante) eigenschap/kenmerk en een kleine letter voor de niet-overheersende (recessieve) eigenschap/kenmerk. 

Een labrador met een (raszuivere) zwarte vacht wordt aangeduid met ZZ en een labrador met een (raszuivere) gele vacht met zz. Het zwarte gen (Z) drukt het gen voor de vachtkleur geel (z) weg. Het gen (z) voor een gele vacht onderwerpt zich als deze naast het gen voor een zwarte vacht zit. In dit geval zien wij een zwarte vacht, het 'verborgen' gen voor een gele vacht is van buitenaf niet te zien.  

  1. Krijgt de pup van zijn vader het gen zwart (Z) en van zijn moeder ook het gen zwart (Z), dan krijgt de pup een zwarte vacht (ZZ). 
  2. Krijgt de pup van zijn vader het gen zwart (Z) en van zijn moeder ook het gen geel (z), dan heeft de pup een zwarte vacht (Zz). (Schema)
  3. Krijgt de pup van zijn vader het gen geel (z) en van zijn moeder ook het gen geel (z), dan heeft de pup een gele vacht (zz). (Schema)     

Kruisingsschema: zwarte reu (Zz)  X  gele teef (zz)   

                    Zaadcel             Zaadcel

                    Z                        z

Eicel z       2. Zz (zwart)         3. zz (geel)      

Eicel z       2. Zz (zwart)         3. zz  (geel) 

Hier wordt een zwarte reu (Zz) gekruist met een gele teef (zz). De zwarte reu heeft 'verborgen' het gele gen. De zwarte reu maakt twee typen zaadcellen: Z en z. De teef maakt twee typen eicellen: z en z. De zaadcellen en eicellen treffen elkaar in de baarmoeder van de teef en kunnen samensmelten. De kans op zwarte pups is 50% en de kans op gele pups ook is 50%. Let op de kans! 

Welke typen labradors onderscheiden wij? 

Binnen het ras 'Labradors Retriever', onderscheiden wij drie typen: 

  1. het showtype;
  2. het show- en werktype (dual-purpose); 
  3. het field-trial-type, (UK en US)

Voor al deze typen geldt dat velen zijn gefokt uit voorouders die kampioen waren. Er werd bewust gekozen voor het alleen fokken met ouderdieren die zich tijdens de show of tijdens (veld)wedstrijden bewezen hadden. Op zich geen vreemd uitgangspunt alleen op de lange termijn ging dat problemen geven. 

Binnen de (UK) field-trial-populatie zien wij ver terug in veel stambomen de naam 'FTCH Pocklea Remus' verschijnen. Hij was Brits werkkampioen (FTCH) en mocht in 1989, 1990 deelnemen aan de IGL Retriever Championships en werd resp. 2e en 3e. In 1991 won Pocklea Remus de IGL Retriever Championships. Remus was in zijn tijd de meest gebruikte dekreu binnen de field-trial-populatie. Veel fokkers wilden de eigenschappen die hem kampioen maakte terug zien bij hun pups.

Lijnenteelt is een milde vorm van inteelt

In theorie is het moeilijk een duidelijke scheidslijn te trekken tussenin lijnenteelt en inteelt. Van inteelt is sprake als de twee ouderdieren familie van elkaar zijn. Bij lijnenteelt is dat niet geheel anders. Fokkers gebruiken liever de term lijnenteelt, inteelt heeft een negatieve bijklank en wordt daardoor gemeden. Als fokkers spreken van lijnenteelt dan bedoelen zij dat zij of bewust kiezen voor inteelt, of kiezen voor een hond die meerdere gemeenschappelijke voorouders ver terug in de  stamboom heeft zitten. De term inteelt wordt gebruikt als de twee ouderdieren ‘nauwer’ aan elkaar verwant zijn of niet of moeilijk te vermijden zijn. Denk aan 'Pocklea Remus' die in bijna alle stambomen van FT-gefokte labradors voorkomt.

De risico’s van inteelt

Veel erfelijke afwijkingen (ziektes) vereven (gelukkig) niet overheersend (dominant). Zij vererven ondergeschikt (recessief). Bij recessieve ziektes is het gezonde gen dominant. Dus als in dit geval je labrador de fout op één gen heeft, is je labrador niet ziek. Wel kan hij drager zijn van de erfelijke afwijking. Heeft hij de fout op twee genen dan is hij ziek of lijdt aan de erfelijke afwijking. 

Als inteelt wordt toegepast worden de volgende generaties steeds meer familie van elkaar. Door ‘in te telen’ op kampioenen zien wij nu bij onze labradors grote verwantschap. Hoe sterker de familieband, hoe groter het risico op erfelijke gebreken. De kans op erfelijke afwijkingen bij verwante dieren is groter (4,7-6,8%) dan bij niet verwante dieren (3-4%). 

Hoe erft je labrador een ziekte?

Van ieder gen erft onze labrador er twee, één van zijn moeder en één van zijn vader. In alle labradors komen kleine foutjes in de genen voor. Deze foutjes noemen we mutaties. Soms wordt bij de geboorte al duidelijk dat een pup een erfelijke afwijking heeft. Soms blijkt dat pas later.

Erfelijke afwijkingen bij labradors

Bij alle labradortypen komen erfelijke afwijkingen voor. Dit neemt wel steeds grotere vormen aan omdat door het bewust kiezen voor ‘lijnenteelt’ de recessief verevende ziektes zich meer laten zien.  

Progressieve Retina Atrofie (PRA)

Bij labradors is de meest voorkomende oogziekte PRA. PRA leidt tot blindheid. Deze erfelijke afwijking vererft recessief. Voor PRA gebruiken wij de kleine letter p en voor een Normale labrador de hoofdletter N. 

Krijgt de pup van zijn vader het gen N (normaal) en van zijn moeder het gen N (normaal) dan heeft de pup géén PRA. Krijgt de pup van zijn vader het gen N (normaal) en van zijn moeder ook het gen p (PRA) dan heeft de pup géén PRA maar draagt wel het PRA-gen. Krijgt de pup van zijn vader het gen p (PRA) en van zijn moeder ook het gen p (PRA) dan heeft de pup PRA (pp).

In letters beschrijven wij dat zo:

  1. NN = is een normale, gezonde labrador. Uitslag van de test: normaal
  2. Np = is een labrador die de afwijking niet heeft maar wel bij zich draagt. Uitslag van de test: drager
  3.  pp = is een labrador die lijder is, de afwijking of ziekte heeft. Uitslag van de test: lijder

Veel andere erfelijke afwijkingen vererven op dezelfde wijze. Het is daarom dat wij willen weten of onze labrador belast is met zo een ‘verborgen’ gen. Ook weten wij dat de kans op het doorgeven van twee dezelfde kopieën van hetzelfde ‘verborgen’ gen het grootst is bij sterk verwante dieren of familieleden.

Kans op een erfelijke afwijking

De kans dat je labrador een erfelijke afwijking krijgt is o.a. afhankelijk hoe deze afwijking/ziekte vererft: 

1. Recessief, als dit het geval is kan je labrador de afwijking alleen erven als hij van beide ouders dezelfde erfelijke afwijking krijgt (zz).            Als de afwijking op deze wijze vererft is er 25% kans dat je labrador deze afwijking krijgt. 

2. Dominant, als dit het geval is kan je labrador de afwijking erven wanneer één van de ouderdieren de afwijking/ziekte doorgeeft (Zz).                   Als de afwijking op deze wijze vererft is er 50% kans dat je labrador deze afwijking krijgt.

Het is dus goed te weten hoe een erfelijke afwijking vererft. Je vindt dit op de website: vhlgenetics.com

Dr. van Haeringen laboratorium (VHL-genetics)

In Nederland kennen wij het Dr. Van Haeringen laboratorium. Hier worden (DNA-) testen gedaan die kunnen bepalen wat de afstamming en identiteit van onze labrador is. Ook verzorgen zij testen die aangeven welke erfelijke afwijking(en) onze labrador bij zich kan dragen.

Als je, na het openen van de website vhlgenetics.com klikt op ‘DNA-onderzoek voor dieren en voedsel’ en vervolgens klikt op ‘hond’ dan verschijnt er een overzicht met testen:

  1. Verwantschap, Afstamming en Identiteit; 
  2. Combinatiepakketten (H323 Combipakket Labrador Retriever);
  3. Erfelijke ziekten;
  4. Overige erfelijke kenmerken.

Al deze testen hebben een code. Als je op de code plus de naam klik krijg je achtergrond informatie over de test. Als je bijvoorbeeld klikt op 'H704 rcd PRA (partnerlab)', dan lees je alles over deze erfelijke afwijking. De Nederlandse Labrador Vereniging (NLV) heeft in haar fokbeleid opgenomen dat bij éen van beide ouderdieren deze test moet zijn gedaan. Lees hierover meer op de website van de NLV. 

Hier volgt een overzicht van bij de labrador voorkomende erfelijke afwijkingen: prcd-PRA, RD/OSD, EIC, Myopathie, Korstenneus, DM, SD-2, Slaapziekte. Op de website van de NLV onder het kopje 'Ras & Gezondheid', 'DNA-onderzoek', worden deze erfelijke afwijkingen uitvoerig toegelicht. 

Uitleg van DNA resultaten door VHL:
Normaal/ Normal: dit dier heeft twee gezonde allelen (ander woord voor genen). Het dier zal geen afwijkingen krijgen en kan de afwijking niet doorgeven aan de nakomelingen.

CONCLUSIE

"Verborgen" recessieve erfelijke afwijkingen krijgen wij niet altijd te zien. Om deze wel in beeld te krijgen zijn DNA-testen nodig. Dit geldt zeker voor (beginnende) fokkers die denken hun lijnen te kennen en voorstander zijn van lijnenteelt. Het ‘Dr. Van Haeringenlaboratorium' helpt deze fokkers bij het in kaart brengen van "verborgen" erfelijke afwijkingen. Het behoudt van het ras is hier zeker mee gediend. 

Waddinxveen oktober 2017

Bronvermelding:

biologielessen.nl; vhlgenetics.com; wikipaarden.groenkennisnet.nl; wikipedia.org; nlv.nu; erfelijkheid.nl; 

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

TRAINEN VANUIT EEN VISIE

Volgens Dr. Maria Montessori is iedere hond anders en ontwikkelt zich in zijn eigen tempo. Haar advies was dan ook houd rekening met deze verschillen door de leerstof voortdurend aan te passen aan de verschillende behoeftes van de hond. Wij noemen dat adaptief onderwijs; het tegemoet komen aan verschillen in leerbehoeften bij honden. Elke hond krijgt zoveel mogelijk maatwerk aangeleverd. 

HOE BIED JE LEERSTOF AAN?  

Jonge honden kennen perioden van een verhoogde gevoeligheid ('Gevoelige perioden'). In die perioden is er een verhoogde belangstelling om dingen te 'leren'. Men dacht dat voor alle honden de 7e en 12e week cruciaal waren voor het 'inprenten' van bepaalde gedragingen. Nieuwe inzichten hebben geleerd dat deze perioden niet strikt gekoppeld zijn aan een vaste week of maand. Maakt een hond in een gevoelige periode kennis met de juiste (leer)activiteiten, dan zal hij die zich snel eigen maken. Ook zal het zijn behoeften om te leren bevredigen. Maar ook door het aanbrengen van verschil in hoeveelheid en moeilijkheidsgraad van de leerstof wordt tegemoet gekomen aan het verschil in aanleg van de hond. 

WAT DOET TRAINERS ZICH VAN ELKAAR ONDERSCHEIDEN?

De kunst van het efficiënt aanbieden van de leerstof is het kunnen 'lezen' van de lerende pup. Zien wanneer de jonge hond zijn gevoelige periode(n) heeft. Sommige hebben dat 'zien' van nature, anderen moeten dat leren. Het leren zien van de periode(n) waarin de jonge hond optimaal leert moet een streven zijn van allen die zich trainer noemen. 

IS AANLEG MEER BELANGRIJK DAN MEN DACHT ? 

Recent wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat kinderen van hoogopgeleide ouders succesvoller zijn op school. Wisten wij dat al niet? Neuro-biologen vonden al langer dat de (genetische) aanleg de meest belangrijke component is. Het waren de pedagogen (opvoedkundigen) die dit aanvochten en opvoeding/milieuomstandigheden minstens zo belangrijk vonden. Zij introduceerden het begrip 'socialiseren'. Het goed socialiseren van de pup zou (meer) bepalend zijn voor hoe de pup later zou gaan 'presteren'. 

Vertalen wij de gegevens van de hedendaagse neuro-biologische onderzoeken naar onze labradors dan geldt ook voor hen dat de (genetische) aanleg zeer bepalend is.

Binnen het ras 'Labradors Retriever', onderscheiden wij drie typen: 

  1. het showtype;
  2. het show- en werktype (dual-purpose); 
  3. het field-trial-type. 

Binnen deze typen (sub-populaties) is > 70 jaar min of meer streng geselecteerd. Bij de één strikt op het uiterlijk (show) bij de ander op 'trainability' (werk). Niet vreemd dat pups uit deze sub-populaties (grote) verschillen vertonen in gedrag. 

Wel vreemd dat sommige puppy-'trainers' jonge honden van verschillende rassen dezelfde leerstof aanbieden. 

Waddinxveen, 2016

 

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

HONDENVOER ONDER DE LOEP 

De rol van onze honden binnen het huishouden is veranderd ten opzichte van vroeger. Werden honden aanvankelijk gehouden voor jacht, bewaking, politietaken of het hoeden van schapen, nu worden honden vooral als gezelschapsdier gehouden. Door de humanisering van onze honden is de aankoop van diervoeding een consumptieproduct geworden waarbij veel rekening wordt gehouden met de beleving van de huisdiereigenaren (Wijbenga 2003).

De markt van de petfood groeit en verandert. Iets meer dan de helft van de Nederlandse huishoudens heeft één of meer huisdieren. In 2011 waren er 2.1 mln. honden in de Nederlandse huishoudens en hun aantal groeit jaarlijks met zo’n 2%. Uit cijfers van het CBS (2009) blijkt dat men 1.1 mld. euro besteedt aan de aanschaf en verzorging van de huisdieren. De Nederlandse industrie produceerde in 2014, 587 miljoen kg huisdiervoer

Diervoeding is een continue veranderende wetenschap. Vroeger hadden de honden die gehouden werden een duidelijke taak, zij waren dienstbaar aan de eigenaar. Zij aten mee met de pot en hadden een ondergeschikte positie. Tegenwoordig worden onze honden in vele gevallen gezien als een gezinslid. Zij verblijven net als alle andere gezinsleden in huis. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de aandacht voor de kwaliteit van het voer dat de hond krijgt is meegegroeid.

De markt van de petfood is in beweging er verschijnen steeds weer nieuwe producten. Al langer kent men het onderscheid tussen hard (droog) voer, zoals brokjes, en zacht (nat) voer dat vaak verkocht wordt in blik. Droogvoer is ten opzichte van nat voer goedkoper. Het nat voer heeft meer gelijkenis met voeding voor menselijke consumptie. Voor veel consumenten is dit de reden om nat voer te kopen. Vaak is er ook de (mis)perceptie dat nat voer beter is dan droogvoer. Toch kiest heden ten dage meer dan 70% van de consument voor brokken.

Diervoeding is geen geïsoleerd geheel maar heeft te maken met fysiologie, ziekteleer, biochemie, gedrag, enz. Vanuit deze gedachte hebben de hondenvoederfabrikanten de laatste 50 jaar hun voeders ontwikkeld. Evenals bij de humane voeding zien wij ook bij diervoeders trends. Zo bieden fabrikanten voer aan voor honden in een bepaalde levensfase en voer voor een ras(groep).Naast deze ontwikkeling zien we de belangstelling voor vers vlees groeien. BARF (Biologically AppropriateRaw Food / Bones And Raw Food) krijgt op dit moment veel aandacht van hondenbezitters. BARF is het voeren van rauw vlees en botten. Nieuw is deze gedachte van Ian Billinghurst (1930) zeker niet.

Na de tweede wereldoorlog waren er in ons land al voorstanders van deze methode. Het was een reactie op de ontwikkeling van de commerciële hondenbrok. Rauw vlees voeren is een ‘hype’ aan het worden. De leuze van Jean-Jacques Rousseau ‘ terug naar de natuur’ ligt hier zeker aan ten grondslag?

De vraag dient zich aan of wij met deze nieuwe trends op de goede weg zijn? Is het voeren van rauw vlees zoveel beter dan het voeren van brokken? Binnen universiteiten hebben wetenschappers zich over dit onderwerp gebogen. Zij hebben alle onderzoeken die raakvlakken hebben met deze vraag op een rijtje gezet.

Op grond van DNA-onderzoeken is duidelijk geworden dat onze honden afstammen van de wolf. Om inzicht te krijgen in waar de voedingsbehoeften van onze honden liggen heeft men het voedingspatroon van de wolf bestudeerd. Wat eten in het wild levende wolven? Wat is hun dieet? Welke delen van hun prooi hebben de voorkeur en wat laten zij liggen?

Als een roedel wolven een grote prooi (eland/hert) heeft veroverd dan blijkt uit onderzoeken dat zij een voorkeur hebben voor bepaalde lichaamsdelen van hun prooi: hart, lever, milt, nieren, longen vervolgens à grote spieren vervolgens à kleine spieren vervolgens à botten, kraakbeen, huid. In tegenstelling tot wat vele geroepen hebben laten zij de pens inhoud liggen. Kleine prooien (haas, konijn) worden met huid en haar opgegeten.

Het menu van de wolf bestond hoofdzakelijk uit eiwit, vet en voor een klein gedeelte uit koolhydraten. Laten we onze honden kiezen uit verschillende menu’s dan kiezen ook zij een voer dat bestaat uit eiwit, vet en relatief weinig koolhydraten. Het BARF-menu sluit hier naadloos op aan. Het doorsnee brokkenmenu bestaat uit 1/3 eiwit, 1/3 vet, 1/3 koolhydraten.

Kijken we naar het dieet van de wolf dan rijst de vraag of dit ook het ideale dieet is voor onze hond? Zijn onze honden carnivoren (vleeseters) of omnivoren (alleseters)? Onze honden hebben veel eigenschappen/kenmerken die horen bij een carnivoor (vleeseter). De vorm van de bek en het gebit horen bij een vleeseter. Hun maagdarmstelsel is kort en gemaakt om dierlijk materiaal te eten. Maar anders dan bij de wolf maakt het darmstelsel van de hond enzymen die koolhydraten (zetmeel) kunnen verteren (oplossen). Er zijn dus weldegelijk verschillen tussen de wolf en onze hond. Deze verschillen zouden ontstaan zijn gedurende de periode dat de hond zich heeft aangepast aan de steeds weer veranderende omstandigheden (domesticatie). We hebben het dan over een periode die 100.000 jaar geleden is ingezet. Maar vragen deze veranderingen bij de hond om een ander dieet?

Tijdens het symposium ‘ Sporting & Working dogs’ presenteerde een wetenschappelijk geschoolde spreker diëten die op grond van onderzoeken speciaal waren ontwikkeld voor sport- en werkhonden. Hij gaf aan dat door genetische veranderingen onze honden ook koolhydraten kunnen verteren. Het is daarom dat wij in bijna alle hondenvoeders koolhydraten aantreffen.  

In ‘moderne’ sportdiëten vinden we de volgende (voedings-)stoffen:

Ø Koolhydraten: zetmeel, suikers; cellulose; FOS (Fructo-OligoSachariden); MOS (Manno-OligoSachariden).

Ø Eiwitten (essentiële aminozuren: arginine, leucine,methionine,tryptofaan, tyrosine, enz.); collageen

Ø Vetten (vetzuren); omega 3-vetzuren; omega 6-vetzuren

Ø Mineralen: calcium, fosfor, kobalt, koper, ijzer, jodium, magnesium, mangaan, kalium, selenium, natrium, zwavel, zink en chelaten.

Ø Vitaminen: patotheenzuur (B5/B3), biotine (B8), foliumzuur (B9), niacine (vit. PP.nicotinezuur), pyridoxine (B6), riboflavine (B2), thiamine (vit. BI/aneurine), vit.A (retinol), vit.B 12, vit.C, vit.E, vit.K, vit.D (D2:ergocalciferol/ D3:cholecalciferol),

Ø Andere toevoegingen: water, antioxydanten, bètacaroteen (provit. A),  glucosamine, polyfenolen, zeoliet, sod (superoxide dismutase).

De percentages en onderlinge verhoudingen (voedingswaarden) zullen niet bij alle voederproducenten hetzelfde zijn.

Commerciële hondenvoeders

In veel commerciële hondenvoeders ontbreken bovengenoemde stoffen niet. Het is daarom dat honden die hiermee gevoerd worden ook op langere termijn geen gebreken vertonen als gevolg van ‘tekorten’. Echt slechte commerciële hondenvoeders zijn er niet meer. Alle fabrikanten kennen bovengenoemde uitgangspunten en zorgen sowieso dat er voldoende mineralen, vitaminen en toevoegingen in hun voeders zitten.

Vers vlees

Zoals eerder vermeld is BARF (Biologically AppropriateRaw Food / Bones And Raw Food) het voeren van rauw vlees en botten (onverhitte voeding) . Binnen deze stroming leven verschillende visies. Aan de ene kant zien we alleen rauw vleesgevers en aan de andere kant kompleet vers vleesgevers (KVV). KVV is vers vlees aangevuld met een premix: vitaminen, mineralen en andere toevoegingen.

 

Relevante onderzoeken

1.   Uit onderzoeken bij in het wild levende wolven is gebleken dat er sprake is van pieken en dalen m.b.t. het voedselaanbod. Deze wolven eten soms dagen niet maar kunnen als zij een grote prooi hebben gevangen voor dagen eten (grote maaginhoud). Zij vergaren voedsel met veel dierlijke eiwitten. Zij eten om te overleven, zich voort te planten en zien het vergaren van voedsel als een uitdaging. Zij leven in verhouding tot onze (huis)honden relatief kort. Bij onze honden zien we een duidelijk tegenovergesteld beeld. Het is misschien hierdoor dat huishonden een hogere leeftijd bereiken?

2.   De lengte van het spijsverteringstelsel bij carnivoren is kort, gemiddeld 4 meter. Het bestaat uit een grote maag, middelmatige dunne darm, beperkte dikke en blinde arm. De vertering (oplosbaar maken van onoplosbare stoffen m.b.v. enzymen) begint bij de hond in de maag.

3.   Genetische veranderingen in koolhydraatvertering. Koolhydraten: oplosbare suikers en het onoplosbare zetmeel. Enzymen kunnen het onoplosbare zetmeel oplosbaar maken (suikers) zodat deze via de darmwand in de bloedbaan terecht kan komen. De gedomesticeerde hond produceert, net als de mens, het enzym amylase. Bij de mens wordt amylase al in de mond (speekselklieren) geproduceerd. Bij de hond pas in de dunne darm maar in voldoende mate om het zetmeel in het voedsel (granen) op te kunnen lossen (verteren).

4.   Uit een onderzoek bij insecten met als thema; ‘de relatie tussen eiwitrijk voer en de gemiddelde leeftijd’, bleek dat het eten van zeer eiwitrijke voedseldelen de levensduur verkort. Zou dit ook opgaan voor zoogdieren? Als zoogdieren gedurende langere tijd zeer eiwitrijk voedsel (vlees=spier=eiwit) krijgen worden de nieren (extreem) zwaar belast. Bij zoogdieren verkorten nierafwijkingen de levensduur. 

5.   Uit onderzoeken is gebleken dat de voedingswaarde van vleessoorten niet voldoen aan de behoeften van honden. Het geven van alleen vlees kan leiden tot (ernstige) gebreken. De balans van voedingsstoffen, vitaminen en mineralen bij thuis gemaakte voeding en bij sommige commercieel verkrijgbare vers-vlees diëten is niet goed. Dierenartsen worden vaker geconfronteerd met honden die gebreken vertonen als gevolg van een tekort aan vitaminen en/of mineralen. (vit.D/E, J/Zn)

6.   In rauw vlees komen veel bacteriën voor. Bij honden die met rauw vlees werden gevoerd vond men in de uitwerpselen zoönosen. Rauw vlees kan ziekteverwekkers als toxoplasmose, neospora, E. Coli, Salmonella en (antibiotica) resistente bacteriën bevatten. Tekst uit folder in een dierenartsenpraktijk: ‘ Door uw hond rauw vlees te geven, introduceert u een risico in huis. Niet alleen voor uw hond, maar ook voor u zelf, uw familie en uw contacten’.

7.   Uit onderzoeken (brokken versus vlees) kwam naar voren dat voedingsallergieën altijd een reactie waren op dierlijke eiwitten. Het zijn dus niet de granen die allergische reacties veroorzaken.

8.   Obesitas. Meer dan 50% van de honden in Nederland zijn te dik. Het geven van te energierijke diëten (vet) zou hieraan bijdragen. Zwaarlijvigheid geeft ook bij honden veel klachten.

9.   Dieren die teveel botten eten kunnen verstopt raken (obstipatie). In zeldzame gevallen kan dit leiden tot blijvende schade aan de dikke darm (strictingvorming). Ook kunnen botsplinters de darmwand beschadigen.

10.  Niet alleen een tekort maar ook een teveel aan voedingsstoffen kan problemen geven. Dr. Kasström toonde voor nesten van Duitse Herders, Golden Retrievers en Labrador Retrievers aan dat onbeperkte voeding leidde tot frequentere en zwaardere HD dan gevonden werd bij beperkt gevoerde nestgenoten.

11.  In Utrecht werd aangetoond dat bij Duitse Doggen grootgebracht op voer met een hoog calciumgehalte, de kraakbeenkernen in de elleboog op latere leeftijd verbeenden dan het geval was bij honden die opgroeiden met een gebalanceerd voer met een lager calciumgehalte.

12.  Onderzoek van Nap c.s. toonde aan dat voedsel met een hoog eiwitgehalte, zoals puppyvoer van goede kwaliteit, géén negatieve invloed heeft op de skeletontwikkeling.

13. Hondenvoer met de optimale hoeveelheid mineralen, vitaminen, eiwitten en koolhydraten schept de basis voor een normale kraakbeenontwikkeling, voor verbening van het kraakbeen, en voor definitief modelleren van de beenderen.

14.  Dierenartsen in opleiding worden attent gemaakt op fokkers die hun pups vegetarisch voer voorzetten. Hondeneigenaren die hun hond(en) op alleen vlees zetten of zelf hun BARF-voeding bereiden. Juist bij honden uit deze groep hondeneigenaren zullen dierenartsen extra letten op afwijkingen als gevolg van eenzijdige diëten

Het eerst gedomesticeerde dier was de hond. Door genetische analyse is tegenwoordig goed vast te stellen welk soort de wilde voorouder is en hoe lang geleden de domesticatie heeft plaatsgevonden. Ook is vastgesteld dat het maagdarmstelsel van de hond zich heeft aangepast aan een minder vleesrijk dieet. Een voorzichtige conclusie is te trekken uit het door dierenartsen geschetste beeld dat zij meer dan in het ‘verleden’ worden geconfronteerd met honden die gebreken vertonen als gevolg van tekorten. Wellicht gelooft een kleine groep aanhangers van de rauw-vlees-methode dat hun hond de domesticatie dans is ontsprongen?   

Waddinxveen, 2016

Bronnen:

Practical guide for Sporting & Workingdogs, Dominique Grandjean

Royal Canin conferentie ‘ voeding en energie’ 29 juni 2005 - 03 juli 2005 (Frankrijk)

Lezing van Dr. Ester Hagen-Plantinga (17 maart 2016)

Website: Medisch centrum voor dieren

Artikel Prof.Dr. Hazewinkel (canecorsonancy.be)

Marktverkenning van biologische diervoeding (Wageningenur.nl)

Wikipedia: domesticatie

Biologie voor jou havo/vwo bovenbouw